Viewing posts categorised under: Melba

Leerlingen sneller in beeld voor participatiebanen

Melba / 22.05.2015

Leerlingen die het speciaal onderwijs of een praktijkschool verlaten kunnen zich voortaan rechtstreeks bij UWV melden om vast te stellen of zij binnen de doelgroep van de banenafspraak vallen. In dat geval komen zij in aanmerking voor de extra banen die werkgevers beschikbaar hebben voor deze mensen. Gemeenten hoeven met onmiddellijke ingang niet meer zelf per beoordeling te betalen. De financiering wordt centraal geregeld, structureel 18 miljoen per jaar.

Deze afspraken zijn gemaakt door staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met de sociale partners, UWV en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In een brief aan de Tweede Kamer schrijft Klijnsma dat alle partijen het belang onderstrepen dat mensen met beperkingen scherp in beeld blijven. En dat het zogenaamde doelgroepregister ook zo snel mogelijk goed wordt aangevuld met mensen uit de Participatiewet met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen en dus in aanmerking komen voor een garantiebaan. De brief bevat een pakket aan nieuwe maatregelen. Volgens Jetta Klijnsma zijn nu stevige hobbels weggenomen, waardoor het doelgroepregister nu sneller kan worden aangevuld.

Directeuren van sociale diensten, verenigd in Divosa, vinden het nuttige aanpassingen maar zijn ook van mening dat er ingrijpender aanpassingen noodzakelijk zijn om de afgesproken 125.000 banen voor mensen met een arbeidsbeperking werkelijk te kunnen realiseren.

Zo vindt Divosa het jammer dat er niets wijzigt aan de beoordelingsmethodiek op basis van theoretische drempelfuncties. Hierdoor zullen alleen mensen in het doelgroepregister terecht komen met een zeer beperkte loonwaarde. Dat maakt het voor werkgevers vrijwel ondoenlijk een passende werkplek te creëren. Divosa pleit er voor om ook mensen, van wie na een gevalideerde loonwaardemeting vaststaat dat zij op hun werkplek het wettelijk minimumloon (WML) niet kunnen verdienen, op te nemen in het doelgroepregister. Werkgevers die nu al actief werk bieden aan mensen met een beperking ondersteunen het voorstel. Divosa voorziet dat het draagvlak onder de banenafspraak anders snel afkalft. Als werkgevers geen brood zien in mensen uit het doelgroepregister zullen ze geen banen openstellen.

Lees meer >>

Schaduwarbeidsmarkt

Melba / 30.04.2015

Bijstandsontvangers verplichten tot een tegenprestatie werkt contraproductief. De zogenaamde tegenprestatie leidt gemakkelijk tot schaduwarbeid. Bovendien vergroot verplicht vrijwillig werken de afstand tot de arbeidsmarkt ook nog. Dat concludeert socioloog Thomas Kampen. “Er ontstaat een schaduwarbeidsmarkt gerund door ‘gratis’ werknemers.”

Sinds januari 2015 mogen gemeenten bijstandsontvangers verplichten een tegenprestatie te leveren voor hun uitkering. Thomas Kampen onderzocht al eerder wat de effecten zijn van vrijwilligerswerk op bijstandsontvangers door in een aantal grote gemeenten, dat al sinds 2007 tegen prestatiebeleid voert, met bijstandsontvangers te praten. Dat resulteerde eind 2014 in het promotieonderzoek ‘Verplicht vrijwilligerswerk: de ervaringen van bijstandscliënten met een tegenprestatie voor hun uitkering’.

Niets mis mee

Op zich is met het leveren van een tegenprestatie niets mis, vindt Kampen. Mits het aansluit op de wensen van bijstandscliënten, perspectief op werk biedt en geen regulier werk verdringt. Maar wat je nu ziet, zegt hij, is dat mensen veel langer in vrijwillige functies zitten.

“Kijk niet alleen naar de werkloze”

“Zonder perspectief op een echte baan en ook nog eens in functies die betaalde banen verdringen. Daardoor creëer je een soort schaduwarbeidsmarkt. Dat zie je in tal van sectoren, zoals in de zorg. Vrijwilligers gaan aan het werk met behoud van uitkering, vaste medewerkers worden ontslagen. De tegenprestatie is niet bedoeld als re-integratietraject, maar als tegenprestatie op zich”

Vluchtheuvel

Volgens de overheid, zowel op landelijk als gemeentelijk niveau, zou deelnemen aan vrijwilligersactiviteiten de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen en bijdragen aan het verantwoordelijk maken van bijstandsontvangers. En leiden tot een reguliere baan.
“Dat blijkt dus niet het geval. Bijstandscliënten die vrijwilligerswerk doen vinden zelden een betaalde baan”, concludeert Thomas Kampen. Ondanks de hoopvolle vergezichten die klantmanagers van de sociale dienst schetsen.

“Het ontbreekt aan langetermijndenken.”

“Het ontbreekt namelijk vaak aan een volgende stap in de begeleiding en bemiddeling. “De bijstandsgerechtigde gaat zich, bij gebrek aan perspectief op de reguliere arbeidsmarkt, identificeren met het vrijwilligerswerk. Het als een vluchtheuvel zien. En een manier om van het stigma af te komen.”

Perverse gevolgen

Uit de ervaringen van bijstandsgerechtigden die bij het FNVmeldpunt Stop Werken Zonder Loon hun verhaal deden, blijkt dat veel mensen het onrechtvaardig vinden ‘gratis’ te werken zonder perspectief, last hebben van de altijd dreigende sancties en het vernederend vinden als lui en structuurloos te worden weggezet. Kampen: “Het zijn perverse gevolgen van alle verschillende regelingen die gemeenten hanteren. Wantrouwen ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde overheerst. Terwijl de meeste mensen zich nuttig willen maken. Er is geen plan, geen idee. Als mensen maar actief zijn, is de klantmanager blij. Maar waar wil je naar toe met al die trajecten? Het ontbreekt aan langetermijndenken.”

“Er is geen plan, geen idee”

Volgens Kampen zou de overheid mensen gericht moeten helpen om terug te komen op de arbeidsmarkt. Niet met standaardpakketten en repressie, maar met hulp op maat.
“Ik voorspel dat de tegenprestatie in deze vorm geen lang leven is beschoren. Werken zonder loon is geen goed idee. We moeten naar een bewustzijn dat werkloosheid een probleem van het collectief is, niet van het individu. Kijk niet alleen naar de werkloze, maar naar de werkloosheid als gegeven op de huidige arbeidsmarkt.”

Thomas Kampen onderzocht vrijwilligerswerk met uitkering: “Het ontbreekt aan langetermijndenken.”

Bron: FNV

Lees meer >>

Mismatch op de arbeidsmarkt beperkt

Melba / 30.03.2015

De mismatch tussen arbeidsvraag en -aanbod is tijdens de Grote Recessie 2008-2014 niet gestegen. Van de huidige werkloosheid kan maximaal 13% worden toegeschreven aan een mismatch tussen sectoren, wat niet afwijkt van de situatie van voor de crisis. Extra inzet op het bevorderen van intersectorale mobiliteit zal dan ook een beperkt effect hebben op het verlagen van de werkloosheid. Het beleid kan beter worden gericht op oplossing van de overige minimaal 87% van de totale werkloosheid. Dit concluderen onderzoekers van het CPB.

Nederlandse werkloosheid is tijdens de Grote Recessie opgelopen van 3,1 procent in 2008 naar meer dan 7 procent aan het begin van 2014. Een belangrijke vraag is of de relatief hoge werkloosheid voornamelijk het gevolg is van conjuncturele factoren (bijvoorbeeld vraaguitval) of ook samenhangt met structurele problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

zorgt mismatch voor grotere werkloosheid?

Eén van die mogelijke problemen is de zogenaamde mistmatch. Mismatch houdt in dat arbeidsvraag en arbeidsaanbod onvoldoende op elkaar aansluiten, wat zich uit in een krappe arbeidsmarkt in specifieke sectoren of beroepsgroepen, zoals ICT en techniek, in combinatie met een ruime arbeidsmarkt in andere sectoren of beroepen, zoals in de bouw. Er zijn steeds meer geluiden dat de hoge werkloosheid wordt veroorzaakt door mismatch (UWV, Randstad, Vermeend en Van der Ploeg, 2014).

Het is om twee redenen belangrijk om de omvang van mismatch op de Nederlandse arbeidsmarkt te onderzoeken. Ten eerste kan mismatch verstrekkende gevolgen hebben. Als mensen niet beschikken over de gevraagde competenties ligt het gevaar van langdurige werkloosheid op de loer, zelfs in tijden van economisch herstel. Mismatch kan bijgevolg leiden tot een stijging van de structurele werkloosheid en lange perioden van baanloze groei.
Ten tweede is het relevant dat beleidsmakers de omvang van de mismatch weten, om zo het juiste beleid te kunnen voeren om de werkloosheid te bestrijden.

sector mismatch is gedaald sinds de crisis

“Onze schattingen tonen aan dat minder dan een zevende van het oplopen van de werkloosheid tijdens de Grote Recessie kan worden toegeschreven aan sector mismatch”, concluderen de onderzoekers. Dit betekent dat een eventueel optimale verdeling van de werklozen over sectoren, de werkloosheid kan verlagen met ten hoogste 13% (uiterste bovengrens).
Bovendien blijkt uit de analyse dat de hoogte van de sector mismatch is gedaald sinds de crisis en ook laag is vanuit een internationaal en historisch perspectief. Tenslotte lijkt het er ook op dat er geen toename van dit soort mismatch tijdens de Grote Recessie is geweest.

bevorderen van mobiliteit op de arbeidsmarkt en scholing

Het huidige arbeidsmarktbeleid om de hoge werkloosheid te bestrijden richt zich voornamelijk op het bevorderen van mobiliteit op de arbeidsmarkt en scholing (Ministerie SZW, 2013). Dit beleid berust op de veronderstelling dat er direct banen beschikbaar in sommige delen van de Nederlandse economie, terwijl andere sectoren omgaan met hoge aantallen van de werkloosheid. Via dit beleid worden werknemers die werkloos zijn of dreigen hun baan kwijt te raken, begeleid naar bedrijven of sectoren waar wel werk is, al dan niet met behulp van scholing of training om te voldoen aan gevraagde kwalificaties.

beleid gericht op mismatch zal zeer beperkt resultaat hebben

De onderzoekers concluderen dat de economische schok veroorzaakt door de Grote Recessie alle sectoren tegelijk heeft geraakt. Dat doet de vraag rijzen over de effectiviteit van het stimuleren van de transacties op de arbeidsmarkt en scholing op grote schaal. Maximaal een zevende (dertien procent) van de werkloosheid in 2014 hangt samen met mismatch tussen sectoren. De werkgelegenheidsgroei, ook binnen specifieke sectoren zoals de ICT, is te klein om de gestegen werkloosheid te kunnen accommoderen.

“Hoewel structureel beleid om arbeidsmarktfricties te beperken uiteraard waardevol kan zijn, roepen onze uitkomsten wel de vraag op of, gegeven de huidige arbeidsmarktsituatie, deze aanpak het meest effectief is”, aldus de onderzoekers.

Download het rapport

Lees meer >>

Effectieve re-integratie

Melba / 17.03.2015

Er is veel kennis over de wijze waarop gemeenten het re-integratiebeleid voor de nieuwe doelgroepen, mensen met een arbeidsbeperking, het beste kunnen invullen. Gemeenten kunnen veel leren van onder meer UWV, re-integratiebedrijven en SW-bedrijven. Daarnaast is er in het buitenland gedegen onderzoek gedaan, waarvan de uitkomsten relevant zijn voor Nederland. De kennistransfer van kennis over de effectiviteit van re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking naar gemeenten is erg belangrijk in het kader van de Participatiewet. SZW vroeg die kennis samen te vatten aan Regioplan.

Tips
In december verscheen het rapport dat verslag doet van het onderzoek. In het rapport staat een groot aantal lessen en tips waar gemeenten het komende jaar baat bij kunnen hebben. Recent verscheen een samenvattend artikel (3 pagina’s).

Andere tak van sport
Uit het onderzoek blijkt dat re-integratie van mensen met een beperking, zoals jonggehandicapten, een andere tak van sport is dan re-integratie voor mensen zonder beperking. Gemeenten zullen met het oog op de Participatiewet het re-integratiebeleid en de uitvoering anders moeten inrichten.

Matching
Zo staat bij re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking de matching tussen klant en werk centraal. Dit klinkt als een open deur, maar is het niet. Terwijl er bij werkzoekenden zonder arbeidsbeperkingen vooral gesleuteld wordt aan de klant (aanbodversterking) en vacatures als gegeven worden gezien, is het bij werkzoekenden met een arbeidsbeperking juist andersom: er moet vooral gesleuteld worden aan het werkaanbod van werkgevers.

Uit het artikel blijkt meteen waar de kracht van Melba ligt: in alle fases (van schoolperiode t/m matching en jobcoaching) van het (re)integratieproces kan Melba worden ingezet, waardoor alle betrokkenen met eenzelfde ‘bril’ kijken naar arbeidsmogelijkheden, dezelfde taal spreken, waardoor overdracht vergemakkelijkt wordt én bovendien ook matching en groeiassessment mogelijk is! Melba past prima binnen de methodiek IPS en geeft daarbij handvatten om gericht naar arbeidsmogelijkheden te kijken en ze te ontwikkelen!

Lees meer >>

Informatie autisme bij Uaanzet.nl

Melba / 18.02.2015

De werkgroep ‘Vanuit autisme bekeken’ heeft deze week de website Uaanzet.nl gelanceerd. De site biedt informatie en inspiratie aan mensen in uiteenlopende functies en rollen met als doel meer interesse in en begrip voor mensen met autisme te realiseren. Meer begrip maakt dat autisten beter mee kunnen doen in de samenleving, zo stellen de initiatiefnemers.

In Nederland hebben ongeveer 190.000 kinderen en volwassenen autisme. Autisme komt voor bij mannen en vrouwen en op alle intelligentieniveaus. De aard en intensiteit van autisme varieert per persoon, gedurende de dag en het leven. ‘Vanuit autisme bekeken’ benadrukt op de website dat ieder persoon met autisme anders is en dat het daarom van belang is om met elkaar in gesprek te gaan. De website Uaanzet.nl moet bijdragen aan meer nieuwsgierigheid naar en begrip voor autisme en dus aan meer interesse in elkaar. De beste raad: Ga in gesprek! Citaat: “Je vindt op deze site handreikingen, voorbeelden en tips. Geen handleidingen of protocollen. Want autisme is bij iedereen weer anders. Toon interesse in de persoon, en ga in gesprek om uit te vinden wat hij of zij nodig heeft!”

Interessant is ook de rubriek ‘Bekijk autisme door de ogen van…’ (Ambtenaar of politicus; Arts of psychiater; Coach of begeleider; Onderwijsgevende; Naaste; Politieagent; Sportcoach; Leidinggevende of collega), met bij een aantal categorieën nog een onderverdeling. Steeds wordt heel praktisch informatie gegeven over ‘Wat moet u weten over…’, ‘Wat kunt u doen?’ en ‘Meer informatie.’

Een absolute aanrader!

In het programma ‘Vanuit autisme bekeken’ werken professionals met en zonder autisme samen. Het programma bestaat uit drie onderdelen: een Werkgroep, de Ervaringsraad en de Programma-organisatie. Men  kijkt vanuit het perspectief van mensen met autisme naar welke verbeteringen mogelijk zijn op het gebied van negen programma’s: niet alleen op het gebied van zorg en ondersteuning, maar ook in werk, sport en het onderwijs. Kijk hier voor informatie over werk en de Folder Werk.

Lees meer >>

Loonwaardegids verschenen

Melba / 20.01.2015

Blik op Werk heeft een document gepubliceerd met daarin een overzicht van alle gevalideerde loonwaardesystemen. Bij de validering is gebruik gemaakt van de inzichten, ervaringen en onderzoeken van het AKC. De gids is voor de 35 regionale werkbedrijven handig bij het maken van een keuze voor een loonwaardemethode.

Naar aanleiding van het valideringstraject zijn de kenmerken van de gevalideerde methodieken opgenomen in de loonwaardegids 2015. Tevens is het proces van de validatie en certificatie opgenomen. Negen loonwaardemethoden zijn door Blik op Werk valide bevonden. Dat een methode valide is wil zeggen dat de methode daadwerkelijk loonwaarde meet. Voor gemeenten is de loonwaardegids een belangrijk instrument voor het selecteren van een loonwaardemethodiek in een bepaalde arbeidsmarktregio. Download hier de gids

In de gids worden tien loonwaardebepalingsmethoden uitgebreid beschreven, evenals het valideringsproces. Als je dit echter leest blijven er toch nogal wat vraagtekens over de betrouwbaarheid van een individuele loonwaardebepaling! Wat blijkt?

Bij eerste validatie van methodieken (januari 2015) wordt als norm gehanteerd dat een absolute
bandbreedte is toegestaan van maximaal 30% (zijnde 15% onder of boven de Gouden
Standaard) en dat minimaal 55% van de resultaten van het totaal aantal gemaakte casussen
binnen deze bandbreedte valt.
Bij hervalidatie van methodieken tegen het einde van de eerste geldigheidsperiode wordt als
norm gehanteerd dat een absolute bandbreedte is toegestaan van maximaal 20% (zijnde 10%
boven of onder de dan geldende Gouden Standaard) en dat minimaal 70% van het totaal aantal
gemaakte casussen binnen deze bandbreedte valt.

Op het moment dat van een individu een loonwaarde wordt vastgesteld is er met deze afwijkingen absoluut geen zekerheid dat de gehanteerde methode leidt tot een betrouwbare uitkomst. Ofwel: een beroepszaak heeft, gezien in dit licht, alle kans van slagen…..

Lees meer >>

Jongere wil aandacht voor wat hij niet kan

Melba / 07.11.2014

Goede begeleiding bij de overgang van school naar werk betekent voor jongeren met een beperking dat er meer rekening wordt gehouden met de ondergrens van hun kunnen. De huidige tendens van empowerment en zelfstandigheid heeft daar te weinig oog voor. Dat moet realistischer, vinden ze zelf. Aldus Elle Verheijden, Wies Arts en Lineke van Hal in een artikel op de website www.socialevraagstukken.nl

Vroegtijdige, adequate begeleiding naar werk is voor jongeren met een beperking van groot belang, bleek al eerder uit onderzoek van Anja Holwerda. De overgang van school naar werk blijkt in de begeleiding cruciaal. Gesteld wordt dat met samenwerking tussen schoolbegeleiders en ouders realistische verwachtingen worden geschapen voor de begeleiding van de jongere, zodat deze de best mogelijke werkuitkomst kan bereiken. Uit ons pre-master onderzoek blijkt echter dat ‘realistische’ begeleiding in de overgang van school naar werk niet vanzelfsprekend is.

We deden onderzoek naar de ervaringen van jongeren met beperkingen in de overgang van school naar werk. Hieruit blijkt inderdaad dat jongeren tijdens de overgang van school naar werk behoefte hebben aan ‘realistische begeleiding’. Als jongeren het over begeleiding hebben, valt op dat zij dit begrip breder interpreteren dan hulpverlening of onderwijs. Zij voelen zich ook begeleid door bijvoorbeeld ouders en vrienden. Als we het over ‘realistische begeleiding’ hebben, gaat het dus niet alleen om begeleiding vanuit hulpverlening en onderwijs, maar ook om begeleiding vanuit hun sociale netwerk. Uit de interviews kwam naar voren dat jongeren vaak hun toekomstdromen hebben moeten loslaten, omdat die niet haalbaar waren vanwege hun beperkingen. Nieuwe toekomstdromen gaven zij vorm door ‘alles uit te sluiten wat niet kon, en te kiezen voor dat wat over bleef’, door ‘reëel te blijven’, door hun ‘[vroegere] droom te laten varen’ of ‘onderaan de ladder te beginnen’. Op de vraag wat jongeren nodig hebben in de begeleiding om hun toekomstdroom aan te passen, noemden zij dat ‘grenzen en sterke punten weten’, ‘reëel blijven’ en ‘goede informatie krijgen’ hierbij belangrijk zijn.

Vanuit het perspectief van jongeren moet in de begeleiding het ontwikkelen van nieuwe, realistische toekomstdromen een centrale plaats innemen. Dit vraagt zowel een realistische houding van de jongeren zelf (Holwerda, 2014), als ook van de mensen die hen hierin begeleiden. De huidige tendens in ondersteuning voor jongeren met een beperking is gericht op empowerment en gaat uit van de zelfstandigheid en mogelijkheden van jongeren. Dit kan botsen met de behoefte van jongeren aan een meer realistische benadering van arbeidsparticipatie die niet alleen uitgaat van de mogelijkheden, maar ook rekening houdt met beperkingen.

De beleidsverwachting dat meer mensen meedoen in de samenleving door betaald werk, vraagt dat jongeren nieuwe toekomstdromen creëren die vertrekken vanuit hun dagelijkse realiteit met al hun mogelijkheden en beperkingen. Dit kan vorm krijgen door het organiseren en financieren van re-integratiebegeleiding waarin jongeren zowel hun mogelijkheden als beperkingen op de werkvloer kunnen ontdekken. Van werkgevers vraagt dit een open houding ten aanzien van deze jongeren, waarbij zij verder kijken dan de stempel ‘Wajongers’ en waarbij er zowel aandacht is voor individuele ontwikkelmogelijkheden als voor ervaren grenzen op de werkvloer. Een empowerende én realistische begeleiding vanuit overheid, professionals, sociaal netwerk en werkgevers, kan dan daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de toekomstdromen van jongeren met een beperking.

Lees meer >>

Burn-out mede door paradoxaal beleid

Melba / 07.10.2014

Eén op de acht werknemers heeft last van burn-out klachten. En de overheid helpt niet bepaald mee om dat te verbeteren, zegt het SCP. Het adviesorgaan noemt het overheidsbeleid paradoxaal. De ideale Nederlandse werknemer moet namelijk én flexibel doorwerken tot aan het pensioen én zich opwerpen als toegewijd mantelzorger. Op z’n zachtst gezegd lástig voor diegenen die hun burn-out-klachten proberen te verminderen.

Burn-out (ofwel: emotionele uitputting) komt relatief vaak voor: ongeveer één op de acht werknemers in Nederland heeft er last van. Het wordt dan ook gezien als een serieus maatschappelijk probleem dat beleidsmatig aandacht vergt. Het SCP concludeert in haar studie eerst twee voor de hand liggende zaken:

  1. Veel overwerk zorgt voor een grotere kans op een burn-out
  2. Uitgeputte werknemers melden zich vaker ziek

Vervolgens stelt het SCP drie min of meer nieuwe gezichtspunten:

  1. Wie overspannen is, gaat niet minder werken. Ze willen wel, maar het lukt vaak niet.
  2. Het Nieuwe Werken wérkt wel. Zelf bepalen waar, wanneer en hoe lang je werkt door onder meer telewerken, zorgt voor autonomie. Het zou “een energiebron zijn die het stressniveau van werknemers kan reduceren” en zorgt voor een gevoel van vrijheid en flexibiliteit dankzij de lagere reistijd. Het Nieuwe Werken leidt tot minder emotionele uitputting en meer toewijding, aldus het rapport SCP.
  3. Paradoxaal overheidsbeleid. Het SCP vraagt zich af of de “goedbedoelde, maar veelal vrijblijvende maatregelen van de overheid voldoende tegenwicht bieden aan de ‘rat race’ die zich voordoet op de arbeidsmarkt”.

De overheid heeft volgens het bureau wel meer aandacht besteed aan het tegengaan van burn-outs door campagnes als Check je werkstress, waarbij werkstress verder bespreekbaar wordt gemaakt en aangepakt. Maar, zegt het SCP, “de overheid vraagt ook steeds meer verantwoordelijkheid van de burger.” Bijvoorbeeld door de toenemende roep om mantelzorg, of door de uitspraak dat iedereen moet participeren op de arbeidsmarkt. Zo veel mogelijk mensen zo veel en zo lang mogelijk aan het werk.

Dit staat op gespannen voet met het streven burn-outs te bestrijden, schrijft het SCP. “Het credo ‘Werk! werk! werk!’ is een enigszins paradoxaal advies voor diegenen die hun burn-outklachten proberen te verminderen.”

U kunt het onderzoeksrapport hier downloaden: Burn-out – SCP studie

Lees meer >>

Helft Nederlanders moeite met regie over gezonheid, ziekte en zorg

Melba / 23.09.2014

Helft Nederlanders heeft moeite met regie over gezondheid, ziekte en zorg

Een op de twee Nederlanders heeft moeite om zelf de regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. Het ontbreekt hen aan kennis, motivatie en zelfvertrouwen. Drie op de tien volwassen Nederlanders beschikt over onvoldoende functionele lees- en rekenvaardigheden en onvoldoende vermogen om (gezondheids-)informatie te vinden en te verwerken. Maar gezondheidsvaardigheden zijn te leren en te ontwikkelen en ook zorgaanbieders en instellingen kunnen leren beter met mensen met lage gezondheidsvaardigheden om te gaan.

Van Nederlandse burgers en patiënten wordt steeds meer verwacht dat zij over de vaardigheden beschikken om een actieve rol op zich nemen in de zorg voor hun eigen gezondheid en ziekte en die van hun naasten. Niet iedereen is daar echter even goed toe in staat. Gezondheidsvaardigheden worden op verschillende manieren gedefinieerd. In meer beperkte definities ligt de nadruk op functionele lees- en rekenvaardigheden en het vermogen om informatie te vinden en te verwerken (health literacy). Bredere definities omvatten aspecten zoals zelfvertrouwen, motivatie, kritisch vermogen en sociale vaardigheden. In het onderzoek ‘Gezondheidsvaardigheden: Niet voor iedereen vanzelfsprekend’ van het NIVEL wordt de stand van de kennis over gezondheidsvaardigheden opgemaakt.

Gezondheidsuitkomsten
Gezondheidsvaardigheden houden verband met het niveau van kennis en informatie, en hebben invloed op de leefstijl, het zorggebruik en toegang tot de zorg, communicatie met de zorgverlener, zelfmanagement en medicijngebruik. Lage gezondheidsvaardigheden hangen samen met slechtere gezondheidsuitkomsten: een minder goede gezondheid en een grotere kans op overlijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschouwt gezondheidsvaardigheden als dé centrale determinant van ongelijkheid in gezondheid. Door de grote verschillen in gezondheid en ziekte tussen mensen met een verschillende sociaaleconomische achtergrond en de steeds grotere rol en verantwoordelijkheid van burgers voor hun eigen gezondheid, neemt de aandacht voor gezondheidsvaardigheden zowel in Nederland als Europa toe.

Meer lezen of onderzoek downloaden?

Interessant om ook de link te leggen naar arbeid, ziekteverzuim en productiviteit. Als een op de twee Nederlanders moeite heeft met eigen regie over gezondheid, ziekte en zorg, hoe zit het dan met regie voeren over je arbeidzame leven, zeker als dat leven wordt onderbroken door ziekte, ontslag, reorganisatie, enz.? In ons onderzoek naar mensen in de bijstand die een traject kregen aangeboden in de gemeente Gennep bleek al dat maar liefst 50% van de mensen alleen enkele losse sociale contacten buitenshuis hadden (trede 2 participatieladder)! De inschatting van consulenten was dat 46% van de participanten afhankelijk is van verdere begeleiding om aan het werk te kunnen blijven en/of om in de toekomst aan arbeidsmatige activiteiten deel te gaan nemen. Bij slechts 16% lijkt sprake te zijn van een stabiele situatie of voldoende vaardigheden om zich bij tegenslag of problemen zelf adequaat te kunnen redden. Lees meer in het onderzoeksverslag, onder ‘Downloads’, particpatiekansen voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Lees meer >>

Wajong criteria

Melba / 20.06.2014

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet is inmiddels gepubliceerd. Ofwel: de criteria waaraan iemand moet voldoen om in de toekomst nog in aanmerking te komen voor een Wajong uitkering. De vier criteria liggen heel dicht naast de criteria die nu gehanteerd worden voor toelating binnen de WSW. Wat vooral opvalt is dat het begeleidingsaspect helemaal is losgelaten. Wat worden de criteria?

Iemand wordt geacht geen arbeidsmogelijkheden te hebben als bedoeld in de Wajong als hij/zij:

  1. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
    b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
    c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
    d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Vooral het tweede punt is erg abstract. In de toelichting wordt hierover vermeld dat UWV op dit punt beleid zal ontwikkelen en vastleggen….. Misschien dat Melba hier een helpende hand kan bieden?

Download het ontwerpbesluit.

Lees meer >>

We gebruiken onder andere analytische cookies om ons websiteverkeer geanonimiseerd te analyseren, zodat we functionaliteit en effectiviteit kunnen aanpassen.
Meer informatie over de verwerkte gegevens kunt u lezen in onze privacybeleid.

[X] Ik ga akkoord met bovengenoemd privacybeleid